HEALTHY FUNGI / Pure paddenstoelextracten
Healthy Fungi · Paddenstoelenverhalen

Polysachariden in Agaricus: wat meten laboratoria?

Polysachariden in Agaricus: wat meten laboratoria?

Op een Agaricus-etiket staat soms “30% polysachariden”, “polysaccharide rich” of een vergelijkbare aanduiding. Dat klinkt exact, maar de betekenis hangt volledig af van de analyse. Een polysacharide is geen unieke stof; het is een verzamelnaam voor moleculen die uit veel aan elkaar gekoppelde suikereenheden bestaan. Daarom kan de ene laboratoriumtest iets anders meten dan de andere, ook wanneer ze allebei op papier “polysachariden” rapporteren.

Een groep moleculen, geen afzonderlijk ingrediënt

De ketens van polysachariden verschillen in gebruikte bouwstenen, lengte, vertakkingen, bindingen en eventuele koppelingen met andere moleculen. Bij schimmels komen onder meer glucanen voor, maar niet iedere gevonden koolhydraatfractie is een glucaan. Sommige verbindingen kunnen bovendien deel uitmaken van complexe mengsels met eiwitten. Een percentage “totale polysachariden” vertelt daarom nog niet welke individuele structuren aanwezig zijn.

Bij Agaricus subrufescens is dit onderscheid extra relevant, omdat de soort in de literatuur onder meerdere namen voorkomt. Onderzoekers hebben verschillende koolhydraatrijke fracties beschreven, maar monsters uit andere teelten en extractiemethoden zijn niet zonder meer gelijk. Een opgave uit één publicatie is geen garantie voor de samenstelling van een commerciële batch.

Wat betekent totale koolhydraten?

Een laboratorium kan beginnen met een brede bepaling van koolhydraten. Sommige meetmethoden reageren op de suikereenheden die door een chemische behandeling zichtbaar worden; andere berekenen koolhydraten gedeeltelijk via een massabalans van voedingscomponenten. De uitkomsten zijn niet identiek. Een totaal koolhydraatgehalte in gedroogd materiaal kan bijvoorbeeld ook componenten omvatten die niet het onderwerp van een specifiek bètaglucanonderzoek zijn.

Daarom moet een analysecertificaat niet volstaan met “carbohydrates 40%”. Welke fractie werd bedoeld? Gaat het om rechtstreeks gemeten suikers, berekende koolhydraten, vezelachtige structuren of na extractie neergeslagen materiaal? Zonder dat onderscheid ontstaat schijnprecisie. Vooral vergelijkingen tussen een volledig paddenstoelenpoeder en een selectief extract kunnen daardoor onbedoeld misleidend worden.

De fenol-zwavelzuurmethode

Een bekende chemische kleurreactie voor koolhydraten is de fenol-zwavelzuurmethode. Onder sterke zure omstandigheden worden koolhydraten omgezet in verbindingen die in aanwezigheid van fenol een meetbare kleurreactie geven. De uitkomst kan met een spectrofotometer worden bepaald, vaak tegen een glucose-standaard. Dat is bruikbaar als algemene indicatie van koolhydraatachtig materiaal, maar niet als specifieke identificatie van schimmel-bètaglucanen.

Een uitslag in “glucose-equivalenten” is bovendien geen rechtstreekse weging van alle afzonderlijke polysachariden. Vrije suikers, verschillende koolhydraattypen, monstervoorbewerking en kalibratie beïnvloeden de interpretatie. Wie deze methode gebruikt, hoort dat duidelijk te vermelden. Zonder methodegegevens is een percentage op een commerciële website lastig te vergelijken met een resultaat uit een wetenschappelijk artikel.

Polysachariden isoleren uit Agaricus

Onderzoekers bereiden vaak eerst een extract, verwijderen vervolgens een deel van onoplosbare materiaal en concentreren de gewenste fractie. Soms wordt ethanol toegevoegd om bepaalde grotere koolhydraatmoleculen te laten neerslaan. Een precipitaat dat men weegt, is echter niet automatisch een volledig zuivere polysacharidefractie: er kunnen ook andere stoffen mee worden meegenomen. Voor een goed onderzoek zijn daarom aanvullende zuiverings- en karakteriseringsstappen nodig.

De naam “polysachariderijke fractie” is wetenschappelijk vaak zorgvuldiger dan de term “zuiver polysacharide”. Zeker wanneer geen volledige structurele identificatie heeft plaatsgevonden. Een rendement van het extractieproces zegt bovendien iets anders dan een gehalte in het eindproduct: de eerste grootheid gaat over teruggewonnen massa ten opzichte van de grondstof, de tweede over de samenstelling van die teruggewonnen massa.

Welke technieken geven meer structuurinformatie?

Met chromatografische technieken kan men fracties scheiden naar bijvoorbeeld molecuulgrootte of chemische eigenschappen. Een methode op basis van molecuulgrootte kan aangeven of een monster vooral grote ketens bevat of juist kleinere fragmenten. Daarbij is van belang welke standaarden zijn gebruikt, omdat polysachariden niet altijd hetzelfde gedrag vertonen als eenvoudige referentiemoleculen.

Spectroscopie, zoals FTIR, kan signalen geven over functionele groepen. NMR kan bij goed gezuiverde fracties aanvullende informatie opleveren over bepaalde bindingspatronen en de omgeving van atomen. Geen van die technieken is op zichzelf een magische soortidentificatietest. De interpretatie hangt af van monsterkwaliteit, meetomstandigheden en combinatie met andere analyses.

Bètaglucanen vormen een afzonderlijke vraag

Schimmel-bètaglucanen zijn een subgroep van de glucanen, met specifieke bindingen tussen glucose-eenheden. Een brede polysacharidetest maakt niet duidelijk hoeveel daarvan aanwezig is. Voor een specifiekere bepaling worden onder andere enzymatische methoden gebruikt. Daarbij kunnen eerst verschillende koolhydraatfracties worden afgebroken en apart gemeten, waarna het bètaglucangehalte volgens de gekozen methode wordt berekend.

McCleary en Draga beschreven in 2016 een systematische aanpak voor meting van bètaglucanen in paddenstoelen en myceliumproducten. Dat werk is relevant omdat het laat zien hoe belangrijk de correctie voor andere glucanen en vrije suikers kan zijn. Ook hier blijft gelden: de uitslag is methodegebonden, en dezelfde assay is niet automatisch voor iedere extractmatrix even geschikt.

Droge-stofbasis en hulpstoffen

Stel dat een extract op droge-stofbasis twintig procent van een bepaalde koolhydraatfractie bevat. Zodra er een drager wordt toegevoegd of het product vocht opneemt, verandert de concentratie per honderd gram eindproduct. Vergelijkingen moeten dus duidelijk maken of het om droge grondstof, droog extract of totaal eindproduct inclusief hulpstoffen gaat. Een verschil van enkele procentpunten tussen etiketten kan anders volledig worden veroorzaakt door een afwijkende rekenbasis.

Bij een sterke kwaliteitsbeschrijving hoort daarom minimaal de monsteridentiteit, batch, toegepaste methode, eenheid, eventuele correctie voor vocht en zo mogelijk de meetonzekerheid. Zonder die gegevens kan een exact ogend getal moeilijk worden gecontroleerd. Een percentage is pas zinvolle informatie wanneer helder is wat precies in de teller en noemer zit.

Wat bewijst een laboratoriumresultaat niet?

Een hoog polysacharidegehalte is geen bewijs van klinische werkzaamheid. Zelfs wanneer een chemische fractie in een laboratorium biologisch gedrag vertoont, kan dat niet automatisch worden vertaald naar effecten na menselijke consumptie. Molecuulgrootte, bereidingswijze, vertering, onderzoeksmodel en dosering kunnen bepalend zijn. Een fabrikant mag zulke stappen niet overslaan door “bioactief” en “gezondheidsvoordeel” als synoniemen te gebruiken.

Een betrouwbare kennisbron maakt daarom onderscheid tussen samenstellingsonderzoek, experimenten met cellen of dieren en onderzoek bij mensen. Voor de lezer is die nuance nuttig: hij begrijpt niet alleen wat een meting laat zien, maar ook welke conclusies er juist buiten het bereik van het onderzoek liggen.

Checklist voor het lezen van een certificaat

Vraag welk monster daadwerkelijk is onderzocht en of de Latijnse soortnaam en het gebruikte materiaal zijn vastgelegd. Controleer of “polysachariden” een brede kleurreactie of een specifiekere scheidings- en analysemethode betekent. Kijk of het resultaat per drooggewicht, per extract of per eindproduct wordt weergegeven. Vraag of het materiaal volledig is geanalyseerd of alleen een verrijkte fractie. Vergelijk getallen pas als de methoden voldoende overeenkomen.

Daarmee wordt de vraag “hoeveel polysachariden zitten erin?” een veel betere vraag: “welke koolhydraatfracties zijn in dit specifieke Agaricus-monster met welke methode gemeten, en wat zeggen die metingen wel en niet?” Dat is zowel wetenschappelijk als voor consumenten informatiever.

Bronnen en verdere verdieping

McCleary, B.V. en Draga, A. (2016), “Measurement of β-Glucan in Mushrooms and Mycelial Products”, Journal of AOAC International 99(2):364–373. Sari en collega's (2017), “Screening of beta-glucan contents in commercially cultivated and wild growing mushrooms”, Food Chemistry. Wisitrassameewong en collega's (2012/2013), “Agaricus subrufescens: A review”, over taxonomie en beschreven chemische fracties. De vermelde methoden zijn niet allemaal specifiek voor één commercieel Agaricus-product gevalideerd.

Ontdek Healthy Fungi

Meer weten over paddenstoelen en onze afzonderlijke extracten? Verken de website.

Bekijk onze extracten ↗Naar het kenniscentrum ↗